zaterdag 5 februari 2011

Beslan 2010 - Het dagboek van Agunya - eerste dag


september 2010

Zes jaar geleden werd de wereld opgeschrikt door een gijzelingsdrama in een school in Beslan, een stadje in de Kaukasus in de voormalige Sovjet Republiek Noord-Ossetië, waarbij ruim 1100 kinderen en volwassen drie dagen door rebellen werden vastgehouden.
Wie herinnert zich niet de aangrijpende beelden van wanhopige ouders buiten de school en van de noodlottige ontknoping, waarbij vele mensen, meest kinderen, het leven lieten.


Pas nog was er een zelfmoordaanslag op een markt in Ossetië, waaruit blijkt dat de situatie in de regio nog steeds explosief is en de kans op herhaling van soortgelijke drama’s nog altijd bestaat.

Kortgeleden kwam ik op een website het verhaal tegen van Agunya, een vrouw die de gijzeling in school Nummer 1 zelf heeft meegemaakt.
Haar dagboek vertelt het verhaal van binnenuit. Misschien geen literair meesterwerk, maar wel een buitengewoon indringend verslag. Het leek me de moeite waard om het in zijn geheel te vertalen en hier te publiceren.





1 september 2010
 
Zodra ik hier, liggend in het ziekenhuis mijn laptop kreeg, ben ik begonnen om mijn herinneringen aan die drie dagen vast te leggen. Precies zes jaar na de gijzeling voel ik de behoefte om deze te publiceren. Er gaat geen dag voorbij of ik denk terug aan die dagen.
 
In mijn stad is er iets verschrikkelijks gebeurd, dat onze levens heeft verwoest - de terroristische aanval op School Nummer 1 in Beslan.
 
 
De eerste dag
 
1 september 2004
 
Ochtend. Hitte. Het is zonnig. 1 september – eerste schooldag. We hebben ons netjes aangekleed: nieuwe witte blouse, zwarte rok, lievelingsschoenen. Mamma heeft haar favoriete beige pakje aangetrokken. Na het ontbijt vertrekken we. Het is 10 voor 9 - prachtig weer. De zon doet pijn aan mijn ogen.
 
We naderen de school, mensen in de tuin en anderen waarschijnlijk al binnen. We verzamelen ons in groepjes en praten over wat we in de vakantie hebben beleefd. Eersteklassers komen met grote boeketten en ballonnen aan.
 
Mijn moeder en ik gaan naar ons klaslokaal. In de hele school hangt de geur van verf. Er was een deel van het plafond ingestort in de gang ergens op de tweede, vertelt mamma.
Alles is rustig. Er is nog niemand in het lokaal. Wij, van de middelbare school (negende klas) beginnen wat later. “Welkom op school!” schrijft mam op het bord.
 
Na een tijdje loop ik de klas uit op zoek naar klasgenoten. In de gang kom ik Madina tegen. We zien de eersteklassers aan hun bureau zitten met linten en bloemen. De ballonnen hebben ze zojuist buiten opgelaten, die zijn al op weg naar de hemel.
Ik zeg tegen Madina dat ik jaloers op ze ben: ze lijken zo klein en gelukkig.
We lopen naar het binnenplein en komen anderen tegen, Christine en Dzerzhin en beginnen enthousiast te praten over onze mooie nieuwe kleren.
 
Hier eindigt ons gesprek. Van heel dichtbij klinken schoten. Ik draai mijn hoofd en zie drie jongens naar de uitgang lopen, gevolgd door een man in camouflagepak en een dikke zwarte baard. Hij rent naar de jongens en schiet in de lucht. Ik denk nog: “maakt hij een grapje of is dit soms een of andere controle?”
Deze gedachte verdwijnt onmiddellijk als ze van alle kanten beginnen te schieten.
We rennen weg en vluchten naar de stookruimte. Daar kruipen we samen. De stoep ligt bezaaid met vertrapte bloemen, schoenen en tassen. Mensen raken in paniek.
Gewapende mannen lopen op ons toe, vertellen ons om te zwijgen en dirigeren ons naar de sportschool.
 
In mijn hoofd draaide de hele tijd de eerste regel die we hebben geleerd, het belangrijkste in noodsituaties: “raak niet in paniek!” Natuurlijk is dit waar, maar geen paniek, dat was onmogelijk. Het gevoel nam mijn hele lichaam, geest en bewustzijn in bezit, het gevoel om ver weg te willen zijn, weg uit deze verschrikking.
Wanneer ik mensen in Hollywood films “geen paniek” hoor zeggen, moet ik altijd lachen, maar dit was niet om te lachen. Het was geen angst die ik voelde, maar een hele sterke wil om te leven.
 
De deur van de sportschool wordt gesloten en vervolgens vernielen ze twee ramen in de gang. We moeten op ons hurken zitten en stil zijn. Ineens zie ik Zarina, mijn klasgenoot. Ze is vlakbij. Ik pak haar hand. Ze knijpt er stevig in en vraagt me om haar niet los te laten.
 
Vreemd, ik kon niets doen om haar te helpen, maar die hand was hard nodig. Een sterk gevoel van samen zijn – dat helpt, is heel belangrijk.
 
We verplaatsen ons naar de sportschool. Als we naar binnen gaan, zie ik Madina weer. Nu zijn we met zijn drieën. We worden bijeengedreven en moeten weer gaan zitten. Er breekt paniek uit, we worden hysterisch. Om ons stil te krijgen pakken ze een man, houden hem voor zich en dreigen hem dood te schieten als we onze bek niet houden. We proberen het, maar het lukt niet.
 
Er klinkt een schot. Ze hebben hem gedood…stilte, doodse stilte, letterlijk…verbroken door gehuil en geschreeuw van kinderen.
 
We moeten onze mobieltjes in een zak gooien. Ze dreigen 20 kinderen dood te schieten voor elk mobieltje dat ze daarna nog horen afgaan. De leraren proberen iedereen te overtuigen alles af te geven.
Een deel van de mensen, waar onder wij moeten naar de andere kant van de sportzaal. Daarna beginnen ze explosieven te plaatsen. Het ziet er allemaal zeer professioneel uit.
 
Ik moet de hele tijd aan mijn moeder denken. Mijn ogen zoeken haar maar zonder succes. Dan opeens hoor ik de stem, die me zo dierbaar is, haar stem. Ze komt op ons af en gaat naast me zitten. Ik vraag haar naar wat ze denkt, dat er gaat gebeuren. Mijn moeder is heel rustig en vertelt ons dat alles in orde komt, dat ze ons vast snel komen redden. Ik besef dat zij het ook niet weet, maar ik wil haar graag geloven.
 
Ook al zat ik in de negende klas, ik voelde me nog steeds een kind, een heel bang kind en ik zag heel veel volwassenen om me heen, die net zo bang waren, als kleine kinderen zo bang. Ik kan het ze niet kwalijk nemen in deze situatie. Het was erg moeilijk om niet in paniek te raken.
 
Rechts van ons zitten twee ‘shahidki’, gesluierde mannen. Ik zie geen mensen, alleen ogen en benen. In de ene hand hebben ze een geweer, de andere hand rust op de gordel op hun buik. Ze hebben zo’n blik in hun ogen, alsof ze tot alles in staat zijn. Als ik naar hen kijk voel ik angst, maar meer nog haat.
 
Vroeger al, toen ik hoorde over de zelfmoordaanslagen, haatte ik ze, wekten ze weerzin op, walging en haat. Volgens mij is een vrouw allereerst moeder en huisvrouw. Hoe kun je in staat zijn om haar te doden, een onschuldig, weerloos menselijk wezen? De vrouw is geschapen om lief te hebben, een man om vrouwen en kinderen te beschermen.
De ideale vrouw was voor mij natuurlijk mijn moeder. Ze had een moeilijk leven, maar is altijd van mijn vader blijven houden, hem trouw gebleven. Ze heeft haar leven aan hem gewijd - en aan ons, haar kinderen.
 
Een gewapende man loopt door de zaal en blijft plotseling vlakbij ons staan. Hij kijkt naar Madina en wordt ontzettend boos. “Schaam je”, roept hij en gooit een jas naar haar toe. Ze heeft blote knieën, die bedekt moeten worden.
Ik voel een zekere opluchting. Ze zullen ons niet zo snel verkrachten, denk ik.
 
Weer loopt er een man langs. Hij heeft een vertrouwd gezicht. Alsof ik hem hier in Beslan al eerder heb gezien. Ik zeg het tegen Madina en ze knikt, ze meent hem ook te kennen. Hij is 35-38 jaar, niet meer en heeft een enorm litteken op zijn nek. Hij gedraagt zich ‘normaal’.
 
Die eerste dag was alles nog redelijk ‘normaal’. Af en toe wezen ze kinderen aan, die naar het toilet mochten om hun behoefte te doen en om water te drinken.
 
De tijd stroomt heel langzaam. Het is heet, verschrikkelijk heet. De kleren plakken aan ons lijf. We trekken wat uit – ik scheur mijn panty. We zorgen er wel voor fatsoenlijk te blijven. Het is zo vol met mensen. Er is nauwelijks genoeg plaats om te zitten.
 
We praten met elkaar. We niet kunnen geloven, dat dit echt allemaal met ons gebeurt, hebben het gevoel dat dit in een andere, parallelle wereld gebeurt, niet in de onze. We blijven optimistisch, maken zelfs grapjes.
 
Achteraf denk ik dat dit de juiste manier was. Als we ze de wanhoop in onze ogen hadden gezien, dan hadden we ze het gevoel gegeven, dat ze ons helemaal in hun macht hadden.
 
Ik denk aan de dag ervoor:
 
We gingen naar school om het nieuwe kantoor van mijn moeder schoon te maken en in te richten. We schilderden de muren en hingen een poster op met Pinocchio. Daarna hebben we er wat gegeten: pitabroodjes met mayonaise en een halve liter limonade voor 9 roebel - Batik, Dzerzhin, Madinka, Alina, mijn neef Timur en ik.
Het was er zo stil en rustig. Niets dat de voorbode van de naderende ramp zou kunnen zijn. We hebben er wel vier uur zitten praten.
 
We bleven wel vaker met ons groepje, dat we MADAMM noemden, naar de beginletters van onze namen, lang op school nakletsen. Soms waren we zo laat dat de school al gesloten was en we door het raam naar buiten moesten klimmen. Het liefst hadden we er dan blijven slapen.
 
Terug naar die eerste dag:
 
Om ongeveer vijf uur schrikken we van een explosie ergens in de school, maar ver weg van de sportzaal, waar wij zitten. Een paar minuten later brengen enkele strijders een gewonde man binnen. Naast ons zit Fatima, een verpleegster. Ze vraagt om medicijnen uit het kantoor om de man te kunnen helpen, maar krijgt geen toestemming. Met een shirt probeert ze de gewonde man te verbinden. Het lukt en ik ben trots op haar.
 
Aan het einde van de dag val ik bijna flauw van de honger of meer nog van de dorst. De hitte is haast ondraaglijk.
 
Om een uur of acht begint het ineens te regenen, grote druppels op de vensterbanken. Door de gebroken ramen proberen we er iets van op te vangen. We hebben zo’n dorst. Ik kruip er naar toe en voel de regen door mijn kleren dringen. Het is het beste moment van de dag in deze hel. Mensen dringen allemaal naar de vensterbank tot ze doorweekt zijn. Gelukkig is het na de regen wat koeler.
 
Iets later. Ze installeren een tv in de kamer om ons te vermaken met de nieuwsuitzending. Er worden 354 mensen gegijzeld. Ik voel boosheid en haat in me oplaaien.
 
De nacht valt. Geen nieuws. Ik wil alleen nog maar slapen, voel geen honger en dorst meer. Er wordt chocolade uitgedeeld. Ook ik krijg een stukje, maar ik eet er niet van, geef het weg.
Naast ons zit Lidia Alexandrovna, de directeur. Mensen voelen zich met haar erbij iets veiliger. Ik zie haar eten en voel me in haar teleurgesteld, niet alleen als directeur, maar ook als mens, als volwassene. Al ben je 90 jaar oud, dan nog steek je niets in je mond als smekende ogen van kinderen naar je kijken. Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is voor mij een moreel principe.
 
We slapen de hele nacht in paren. Terwijl Madina en Zarina op de bank zitten, slapen mam en ik op de vloer. Na een uur draaien we dit om. Ik zie mensen op de schouder van een ander slapen. We zijn allemaal uitgeput. Het is niet warm meer, maar wel benauwd. Slaperige kinderen hangen huilend in de armen van hun moeder of een andere vrouw.
 
Tergend langzaam kruipt de nacht voorbij.




(wordt vervolgd)
.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen