zaterdag 5 februari 2011

Beslan 2010 - Het dagboek van Agunya - tweede dag





 
De tweede dag, de langste


 
Het is voor mij belangrijk dat mensen de waarheid lezen, niet bedekt met een sluier van de media, zonder censuur. Het spijt me dat ik ook drie dagen nodig heb om het verhaal te vertellen, maar het kost tijd om alles te herinneren, om erover na te denken. Gedurende deze drie dagen wil ik alles vertellen wat er te vertellen valt, zodat het nooit meer terug hoeft te komen.


 
2 september 2004
 
Vroeg wakker, iets over zeven. Het is nog steeds benauwd. Ik wil drinken, heb een verschrikkelijke dorst.
 
Ze beginnen te schieten, om onbekende redenen. Kennelijk om ons te laten weten: “We zijn er nog, we hebben wapens en jullie zullen geen rust hebben tot we onze zin hebben gekregen.”
Na elk schot beginnen baby’s te huilen. Moeders worden hysterisch.
 
Ze wisten nog niet dat het met hen goed zou komen, dat oom Aushev er voor zou zorgen, dat de moeders met baby’s werden vrijgelaten. Wij moesten blijven, afwachten, hopen op een tweede leven.
 
We krijgen te horen dat onze gijzelaars aan het einde van de eerste dag de volgende eisen voor onze vrijlating hebben gesteld:
 
  1. Terugtrekking van de troepen uit Tsjetsjenië;
  2. Bevestigende verklaringen van Roshal, Poetin, Aschlakanov, Dzasokhov en Zjazikov;
  3. Afscheiding Tsjetsjenië van Rusland.
 
Zodra we deze eisen horen, denken de volwassenen: we komen hier niet levend naar buiten. Het is simpelweg onmogelijk om aan deze eisen te voldoen.
Maar de kinderen zeggen: “Nou laat ze weggaan die troepen en laat die vijf mensen komen en ze dit vertellen. Dan kunnen we gaan. Wat is daar zo moeilijk aan?”
Mamma vertelt ons dat de oplossing misschien wel makkelijk lijkt, maar dat het voor deze vijf mensen heel moeilijk is om aan deze eisen toe te geven.
 
We mogen geen water meer drinken. Ze vertellen ons dat het drinkwater is vergiftigd. Toch staar er de hele tijd een enorme rij voor de toiletten.
 
De tweede dag duurt eindeloos. Ik voel mijn benen niet meer. De stemming daalt, soms probeert iemand grappig te zijn. Ik hoor een mobieltje afgaan: de ringtone van Nokia, maar er volgt geen reactie.
 
Ook nu nog, schrik ik als ik dit geluid hoor, kruipt de angst mijn lichaam weer binnen.
 
Af en toe hoor ik de mannen door de telefoon praten. Ze klinken boos, schreeuwen tegen elkaar. Soms praten ze ironisch, al kan ik er niet om lachen. Ze gebruiken geen grove taal. Vloeken is er niet bij.
 
Voor het luisteren naar de telefoongesprekken zat ik gunstig. Ik hoorde meer dan de meeste anderen. Een ander zat in de buurt van het raam, waar je een beetje normaal kon ademen. In het midden van het lokaal was het om te stikken. We zaten zo dicht op elkaar dat je voor je gevoel te weinig lucht kreeg. Sommige mensen vielen flauw aan het einde van deze tweede dag.
 
Madina en ik staan op om naar het toilet te gaan. We passeren Viktorovna Albina. Op haar schoot ligt een meisje dat bijna geen kracht meer heeft. Viktorovna streelt haar hoofd, praat zachtjes tegen haar om haar te kalmeren.
Ze ziet ons en zegt: “Oh, zijn jullie hier, mijn meisjes - zijn jullie oké? Nou, alles komt goed.”
Ik ben zo blij haar te zien.
 
In de wachtrij ontmoeten we Dzerzhin. Hij vraagt waar we zitten. We vertellen het en proberen hem over te halen bij ons te komen zitten – tevergeefs.
 
’s Ochtends zat ik heel dicht bij de lijn waar de granaten werden geplaatst. Ik hoorde ze door de telefoon onderhandelen. ‘Als jullie niet aan onze eisen voldoen, zullen ze allemaal sterven’ hoorde ik ze zeggen.
 
Als we weer terug op ons plek zijn, loopt een van de terroristen langs met een stapel kranten. Ik ruik het verse papier en vraag me af, waar die kranten vandaan komen. Een andere man met bommen om zijn middel komt langs met een bus met water, terwijl ze ons wijs gemaakt hebben, dat het vergiftigd is.
 
De dag sleept zich voort. Geen beweging, geen nieuws. Geforceerde grapjes. De stemming wordt steeds bedrukter. We mogen niet meer naar het toilet en krijgen ook geen water meer.
 
Plotseling raken de mannen opgewonden. Ze pakken de directeur en nemen haar mee. Even later komt ze terug in het gezelschap van een man in een camouflagepak en met Aushev. Hij vertelt ons dat enkele vrouwen en baby’s zullen worden vrijgelaten. Ik begrijp lang niet alles van wat hij zegt, maar toch ben ik hem dankbaar, dat hij ons weer enige hoop op vrijlating geeft. We willen hem maar wat graag geloven. Met hoop is het overleven wat makkelijker.
 
Na het bezoek van Aushev is de sfeer iets beter. Het is nog altijd erg warm en benauwd. Een bejaarde man is er slecht aan toe. Naast hem zit een mooie vrouw in een zwarte jurk. Ze wendt zich tot een van de strijders met de vraag om hulp, om medicijnen. Hij blaft haar af: “Hij krijgt niets, laat hem maar sterven.”
De vrouw wordt boos en begint te vloeken en te schreeuwen. Daarop richt de strijder de loop van zijn geweer op het gezicht van de vrouw. Ze is niet bang en roept: “Schiet maar.”
Lidushka komt overeind en begint te schreeuwen: “Heb medelijden, alstublieft.”
 
Aan het einde van de dag tonen de terroristen opnieuw menselijke eigenschappen en vertellen ons dat de oudere leerlingen naar een ander lokaal mogen. We staan op en lopen er naar toe. Het is er vrij koel. We nemen plaats op de betonnen vloer.
Recht tegenover mij zit een terrorist, een van de weinigen die nog een masker draagt. Zijn ogen zijn duidelijk zichtbaar. Onder zijn linkeroog zie ik een enorme bloeduitstorting.
 
Gelukkig mogen we onder de douche en kunnen we eindelijk weer eens naar het toilet. Ik loop er heen met Madina en haar broer Dzambika. De vloer ligt vol met gebroken glas. Dzambika kruipt er op blote voeten voorzichtig door heen. Hij is erg mager. We glimlachen naar de posters op de muren met afbeeldingen van boksers, basketballers en bodybuilders.
Terwijl Madina op het toilet zit, praat ik met haar broertje over voetbal, zijn grote passie.
Eindelijk kan ik zelf naar het toilet en kan ik ook wat water drinken.
 
Nooit in mijn leven heb ik lekkerder water gedronken dan op dat moment. Het smaakte perfect, vergiftigd of niet.
 
Ineens beginnen de terroristen te roepen dat we snel terug moeten. Daarna gaan we naar bed. Ik lig naast Dzambika. Hij is helemaal naakt en probeert mijn moeder te omhelzen. Hij is een van haar favoriete leerlingen. Uitgeput vallen we in slaap.
 
 

(wordt vervolgd)
.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen